Interactief voorlezen doe je zo!

Interactief voorlezen is meer dan alleen vragen stellen over het verhaal. Je gaat in gesprek met je kind(eren) over het boek. Vooraf, tijdens en achteraf het voorlezen. Het vergroot de taalontwikkeling en de woordenschat en zet de kinderen aan tot nadenken. Er is sprake van veel  interactie tussen voorlezer en luisteraars: op deze manier is voorlezen meer samen lezen. Dit is erg leuk en gezellig om te doen. Hieronder leg ik uit wat interactief voorlezen is. Dit doen we regelmatig bij Dutch for Children tijdens de online Nederlandse les aan jonge en oudere kinderen. Lees over de vragen die je kunt stellen, de belangrijkste tips en meld je voor onze nieuwsbrief aan om de gratis checklist te ontvangen.

Vooraf stel je vragen die gaan over boekoriëntatie of verhaalbegrip, zoals bijvoorbeeld wijzend op de kaft en kijkend naar de afbeelding en de titel: ”Waar denk je dat het verhaal over gaat?”.
Tijdens het verhaal kun je bijvoorbeeld voorspellende of projecterende vragen stellen, zoals: “Hoe zou hij zich voelen?”, “Hoe zal hij het oplossen?”, “Wat is er nu aan de hand?”. Ook kun je praten over de afbeeldingen bij de tekst en wat moeilijkere woorden zouden kunnen betekenen.
Na het verhaal praat je over de inhoud van het boek, de personen, het thema, hoe het verhaal verloopt, etc.

Voorlezen met interactie per leeftijd

Hoe jonger het kind, hoe meer interactie. Dit laatste is op jonge leeftijd vaak belangrijker dan het verhaal zelf.  Ouders wijzen elementen uit het verhaal aan op illustraties, maken bijbehorende geluiden, leggen verbanden met de belevingswereld van het kind. Kinderen reageren met aanwijzen, het nabootsen van geluiden, het aanvullen van zinnen en met het beantwoorden of stellen van vragen.

Langzamerhand wordt het verhaal belangrijker. Vaak geven kinderen vanaf ongeveer drie à vier jaar die veel zijn voorgelezen, zelf aan niet meer zoveel behoefte te hebben aan interactie. Ze stellen hun reacties uit tot het eind van het verhaal.

As kinderen de verhaallijn eenmaal goed vast kunnen houden, is de interactie voor of na het verhaal die betrekking heeft op de inhoud of vorm van de tekst het meest effectief.

Interactief voorlezen kan ook worden ingezet in hogere groepen. Als ondersteuning van het begrijpend of voortgezet technisch lezen. 

Soort vragen bij interactief voorlezen

We zijn vaak gewend om ‘wat’- en ‘waar’-vragen te stellen. Het taalaanbod is dan vooral gericht op het benoemen van begrippen en minder op interactie. De kinderen worden dan als het ware overhoord, wat ze al kennen en je vraagt op deze manier niet naar nieuwe kennis.

Het is goed om te variëren in het soort vragen dat je stelt. Hieronder een overzicht met soorten vragen die een kind tijdens interactief voorlezen kun stellen. Hierbij leg ik de volgende vragen uit: de non-verbale antwoordvragen, ja- en neevragen, in-en aanvulvragen, meerkeuze vragen en open vragen. Deze eerste soorten vragen leiden tot minder interactie dan de laatste open vragen. Het is afhankelijk van de leeftijd en het taalniveau welke soorten je het beste kunt gebruiken. Even kort het verschil tussen open en gesloten vragen: gesloten vragen leiden tot geen of eenzijdige antwoorden. Bijvoorbeeld: ‘’Is dit een auto?’’ Deze vraag kan een kind alleen maar met ja of nee beantwoorden.

Vragen waarop het kind non-verbaal kan reageren, maar een verbale reactie niet nodig is. Bijvoorbeeld: “Waar is de auto?’’. Het kind wijst de auto aan.

Ja-nee-vragen. Bijvoorbeeld: ‘’Is dit een auto?’’

Invul- en aanvul-vragen. Zoals: “Jan heeft een fiets en Leo heeft een …’’. Het kind vult in en geeft antwoord met bijvoorbeeld ‘’auto’’.

Meerkeuzevragen. ‘’Is de hond bruin of zwart?’’. Het kind kiest en antwoordt: ‘’Zwart.’’

Open vragen die om een kort antwoord vragen. De zogenaamde ‘wat-, wie-, waar-vragen’:

  • ‘’Wat doet mama?’’
  • ‘’Wie loopt daar?’’
  • ‘’Waar loopt de poes?’’

Open vragen die om een langer antwoord vragen. In deze rubriek heb je ook weer verschillende type vragen:

  • proces/ volgorde-vragen: ‘’Hoe maakt Piet pannenkoeken?’’
  • oorzaak/gevolg-vragen: “Wat kan er gebeuren als…?’’
  • meningsvragen: ‘’Wat vind je ervan dat hij dat zo doet?’’
  • tegendeel-/ tegenovergesteld-vragen: ‘Beren komen toch niet binnen?’ Hiermee prikkel je kinderen om te reageren en er verder op in te gaan.

Vier stappen tijdens het interactief voorlezen

  1. Introduceren van het verhaal: hierbij gaat het erom dat je de kinderen spelenderwijs kennis laat maken met het boek en de eventuele materialen die je erbij verzameld hebt.
  2. Voorlezen van het verhaal: lees het (prenten)boek voor en laat je de kinderen kennismaken met de belangrijkste begrippen, personages en gebeurtenissen uit het boek.
  3. Ingaan op het verhaal: de kinderen krijgen langzamerhand een beeld van het verhaal als geheel. Tijdens een gesprek voorafgaand aan het voorlezen en achteraf kun je de verhaallijn en het begrip van het verhaal centraal stellen.
  4. Uitdiepen van het verhaal: De begrippen, personages, gebeurtenissen en de verhaallijn zijn tijdens de eerdere stappen al op allerlei manieren voor de kinderen verduidelijkt en gaan nu echt leven. Je kunt de kinderen daarom nu uitnodigen om meer en moeilijkere verbanden te leggen zoals oorzaak-gevolg of middel-doel. Ook kun je ze helpen om zich wat meer te verplaatsen in de personages van het boek.


Als je deze vier stappen volgt samen met deze handige checklist, dan is succes verzekerd! Schrijf je hier in voor onze nieuwsbrief en vraag daarmee de gratis checklist interactief voorlezen aan, kies hieronder een boek en dan wens ik je en je kind veel (interactief voor)leesplezier! Als je vragen hebt, stel ze gerust via de mail of onze contactpagina.


Nog een paar tips voor boeken om interactief voor te lezen

Bronnen